Beleggingsfondsen kunnen gedrag ondernemingen veranderen
Duurzaam en winstgevend
Duurzame beleggingsfondsen hanteren voor hun ethische beleggingen een aantal uitsluitingscriteria. Zo wordt niet belegd in kernenergie, wapenindustrie, bontfabrikanten of tabaksindustrie. Toch volstaat dat op zich niet. De activiteiten van het individueel bedrijf worden in een breder plaatje gekaderd. Bovendien neemt men zijn toevlucht tot een zeventigtal duurzaamheidsindicatoren, die goeddeels in drie thema’s kunnen worden ingedeeld, met name milieubehoud, maatschappelijke impact van de bedrijfsactiviteiten en “corporate governance”.
Bepaalde fondsen voor kleine en middelgrote internationale kapitalisaties focussen als thematisch fonds uitsluitend op duurzame ontwikkeling.
Alleen beursgenoteerde bedrijven die activiteiten op het vlak van duurzame ontwikkeling uitoefenen, komen daarvoor in aanmerking.
Zo gaat het bijvoorbeeld om ondernemingen die zich met technologieën voor hernieuwbare energie bezig houden (zoals Hansen Transmissions International), ondernemingen uit de recyclage-, de waterbehandelings- en de zuiveringssector en ondernemingen die innovatieve oplossingen aanbieden op het vlak van gezondheidszorg en biologische voeding.
Ook bedrijven uit alle sectoren die zich onderscheiden door hun toonaangevend beleid op het vlak van maatschappelijke verantwoordelijkheid, komen in beeld. Voorbeeld is de Brazilaanse specialist van natuurlijke cosmeticaproducten, Natura.
Alleen actief zijn in duurzame ontwikkeling volstaat niet om door een duurzaam beleggingsfonds te worden geselecteerd.
In de praktijk worden slechts een minderheid van de kleine en grote kapitalisaties die in de duurzame ontwikkeling actief zijn, aan het beleggingsuniversum toegevoegd.
Producenten van zonnepanelen zullen uit de selectie worden geweerd indien blijkt dat ze hun producten ook leveren aan ondernemingen die in de wapenindustrie actief zijn.
Een groot aantal ondernemingen uit de medische sector komt niet als beleggingsobjectief in het vizier omdat ze tests op dieren uitvoeren.
Het spreekt voor zich dat een uitgebreid netwerk nodig is om alle relevante informatie over de productiewijze in te zamelen.
Bij kleine en middelgrote ondernemingen is dat immers niet altijd even makkelijk.
Andere selectiemethodes voor “big caps”
Bij “big caps” hanteert men andere andere selectiemethodes.
Nagenoeg alle beursgenoteerde bedrijven komen in aanmerking.
In eerste instantie gaat men per activiteitensector tewerk, waarbij de “best-in-class” of de “beste leerlingen” van een sector worden geselecteerd.
Vervolgens laat men op de sector in kwestie een zeventigtal duurzaamheidsindicatoren los.
Die indicatoren kunnen in drie grote thema’s worden ingedeeld, met name milieubehoud, maatschappelijke impact van de bedrijfsactiviteiten en “corporate governance”.
Het ene beleggingsfonds hanteert al strengere criteria dan het andere.
Zo houden bepaalde spelers rekening met corruptie, aanwezigheid in Birma, banden met de nucleaire sector, schadelijke milieu-effecten en dies meer.
Sommige schrikken er niet voor terug financiële instellingen die aandelen in handen hebben van wapenproducenten of fabrikanten van anti-persoonsmijnen op de zwarte lijst te zetten.
Maar een banvloek hoeft niet noodzakelijk uitgesproken.
Soms wordt met dergelijke ondernemingen een dialoog opgezet om hen aan te zetten tot het bewandelen van een meer duurzame koers.
Soms gebeurt dat na het nemen van een kleine participatie, die voor stem- en spreekrecht zorgt tijdens de algemene aandeelhoudersvergaderingen.
Concrete resultaten
Een andere manier om de dialoog over duurzame ontwikkeling op gang te brengen, bestaat erin de betrokken ondernemingen op de hoogte te brengen van de screening-resultaten tijdens de selectieprocedure van een duurzame investeringsmaatschappij.
Die resultaten vormen voor de ondernemingen niet enkel feedback over hun prestaties op het vlak van duurzame ontwikkeling, maar geven ook suggesties voor concrete acties.
Duurzame kandidaat-investeerders zorgen boven voor de nodige druk, zodat duurzaamheid nooit lang van de agenda van de ondernemingen verdwijnt.
Aan te bevelen valt toplui te belonen in functie van de duurzame prestaties van de onderneming.
Dergelijke suggesties werden onlangs nog geformuleerd ten overstaan van Philips, TomTom en Vodafone.
Als gevolg van dergelijke ontmoetingen onderzoekt Philips momenteel de mogelijkheid om windmolens en zonnepanelen te installeren voor zijn eigen energiebehoeften en om in de toekomst zijn CO2-emissies tijdens het volledige productieproces te meten en op basis van die bevindingen te proberen om zijn prestaties te verbeteren.
De Nederlandse technologiegroep heeft zich ook tot doel gesteld om de levensduur van zijn producten te verlengen om op die manier de verspilling van elektronische componenten tegen te gaan.
(Bovenstaande bijdrage kwam tot stand in samenwerking met Triodos Bank N.V. (Brussel). Meer info: 02/548.28.28 of www.triodos.be).
Goede leerling/slechte leerling
H&M, een producent en distributeur van kleding, was één van de bedrijven die door een duurzaam investeringsfonds werd geselecteerd.
De onderneming eindigde tijdens de eerste fase van de selectie - waarbij de “best-in-class” worden bepaald - zelfs op de tweede plaats van vijftien ondernemingen uit deze sector.
Dat resultaat heeft H&M in de eerste plaats te danken aan de erg strenge controle die het bij zijn onderaannemers uitvoert - onder meer met betrekking tot kinderarbeid.
Dat is in de textielsector een bijzonder grote uitdaging.
Bovendien opteert H&M zo vaak mogelijk voor producten die uit de biologische landbouw afkomstig zijn.
Katoen kan bijvoorbeeld omwille van de beperkte productie niet altijd op een biologisch verantwoorde manier worden geproduceerd, maar mag voor de kledingspecialist in geen geval pesticiden bevatten. H&M is, ten slotte, ook actief in de bestrijding van aids.
Een bedrijf dat de selectieprocedure bijvoorbeeld niet overleefde, is Nestlé.
Hoewel deze onderneming in heel wat ethische fondsen is opgenomen.
Aanleiding daartoe zijn de proeven op dieren die de onderneming uitvoert.
Voorts voert het bedrijf geen specifiek beleid op het vlak van ontbossing, ondersteunt het intensieve veeteelt, maakt het gebruik van genetische engineering en is het met een vestiging actief in Birma.
Ook het agressieve marketing-beleid op het vlak van poedermelk, een product dat heel wat schade kan veroorzaken in landen waar drinkbaar water moeilijk verkrijgbaar is, wordt de groep ten kwade geduid






Meld je aan om te reageren