Betaling van goodwill aan ex-echtgenote

Aftrekbare beroepskost?

Zoals veel van zijn confraters, bracht een kinesist, gehuwd volgens het wettelijk stelsel, op een bepaald ogenblik zijn kabinet in een B.V.B.A. in. Toen hij zijn beroepsactiviteit stop zette bracht hij, in zijn persoonlijke naam, een bepaald bedrag als beroepskosten in mindering. Daaronder een bedrag voor goodwill dat voortsproot uit opeenvolgende kosten ter compensatie van zijn ex-echtgenote voor haar aandeel in de gemeenschappelijke immateriële elementen van het kinesitherapiekabinet. De belastingsplichtige ging er immers van uit dat de immateriële elementen van het kabinet gemeenschappelijk waren, dat ze een economische waarde hadden en winst inhielden ten gunste van de echtgenote van de kinesist. Onder hen bevindt zich de fameuze “goodwill”.

Het Hof van Beroep moest zich uitspreken over de vraag of die kosten verband houden met een beroepsactiviteit als kinesist die eerder in persoonlijke naam werd stopgezet. De belastingsadministratie besliste dat, bij gebrek aan bewijs, de waarde van die goodwill niet naar behoren kon worden vastgesteld. De rechter in eerste aanleg volgde de beslissing van de gewestelijke directeur.

In zijn arrest van 25 maart 2014 nam het Hof van Beroep te Gent een andere stelling aan. Het Hof stelde vast dat de goodwill door een expert op een bepaald bedrag werd vastgesteld, waarvan de belastingsplichtige de helft aan zijn ex-echtgenote moest betalen ter schadeloosstelling van het gedeelte van de goodwill dat aan haar toebehoorde. Volgens het Hof kan men aannemen dat de immateriële elementen van een kinesitherapiekabinet gemeenschappelijk zijn, dat ze een economische waarde hebben en dat ze deels het resultaat zijn van de winsten waarop de ex-echtgenote aanspraak kan maken.

Een financiële regeling is trouwens een regeling in het kader van de liquidatieverdeling van de huwelijksgemeenschap die tussen twee voormalige gemalen bestond. In principe is dit onafhankelijk van de stopzetting van de beroepsactiviteit als rechtspersoon. Het was echter de bedoeling van de belastingsplichtige om de immateriële elementen te behouden om via zijn vennootschap inkomsten te blijven behouden of verwerven, zodat er wel degelijk een oorzakelijk verband bestaat met de beroepsactiviteit.

Het kabinet kon enkel worden verder gezet na overname of aankoop van de andere helft van het gezamenlijk patrimonium. Gevolg is dat de beroepskosten die werden gedragen voor de stopzetting van de beroepsactiviteit en die hun oorsprong vinden in een eerdere beroepsactiviteit in principe aftrekbaar zijn op voorwaarde dat een rechtstreeks verband kan worden aangetoond met de uitoefening van dat beroep. Dat is wel degelijk het geval van de “goodwill”.

Indien de belastingsplichtige die betaling aan zijn ex-echtgenote niet had gedaan, zou hij niet - althans volgens het Hof van Beroep - de immateriële elementen voor zijn beroepsactiviteit als kinesist hebben kunnen behouden en zou dat de voortzetting van deze activiteit “moeilijker hebben gemaakt”. Dankzij de betaling konden belastbare inkomsten behouden blijven en was het mogelijk de immateriële elementen in de B.V.B.A. in te brengen.

De lasten en uitgaven voortspruitend uit een vroegere activiteit die na de stopzetting aanhielden, dienen dus als aftrekbare beroepskosten te worden beschouwd. In wezen hoort de betaling ontegensprekelijk thuis in het kader van een beroepsactiviteit in persoonlijke naam.

Geen gevolgen in geval van niet-betaling

Mocht de kinesist niet tot betaling zijn overgegaan, zou er echter niets zijn gebeurd. Hij had zijn beroepsactiviteit normaal kunnen voort zetten. Het cliënteel had immers met hem een band en was hem blijven bezoeken. De patiënten worden niet verondersteld op de hoogte te zijn van de moeilijkheden van het koppel en de akkoorden die hun kinesist met zijn ex afsloot.

Sommige auteurs zijn van mening dat, gezien de persoonlijke band van dit type beroepsuitoefenaar met zijn cliënteel, zijn specifieke competenties en de vertrouwensrelatie als niet verbreekbaar kunnen worden bestempeld. In dergelijk geval is het zelfs mogelijk dat geen enkel patrimoniale waarde aan dat aspect wordt toegekend.

Overigens had de kinesist zijn kabinet al en had hij de goodwill twee jaar vóór de betaling  reeds in een vennootschap ondergebracht zonder zijn echtgenote of zijn huwelijksgemeenschap hiervoor te vergoeden en bleef hij gedurende die tijd werken met dezelfde cliëntèle.

Naar onze mening had het op professioneel vlak dus niets veranderd indien de kinesist uiteindelijk die som niet aan zijn echtgenote had betaald. Het enige gevolg op privé/familiaal vlak zou geweest zijn dat het huwelijksstelsel nog steeds niet zou vereffend/verdeeld zijn. Tussen de beroepsactiviteit en de betaling bestaat derhalve geen enkel rechtstreeks verband.

De betaalde som is niets meer dan een fictief voorschot tussen partijen met het oog op de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. Het feit dat de kinesist het gemeenschappelijk vermogen heeft moeten compenseren voor de waarde van zijn cliëntèle is niets meer dan een gevolg van het Burgerlijk Wetboek. (J.S.)

(Bovenstaande bijdrage kwam tot stand in samenwerking met FiscalNet).

Meer info: 0800/39.067