Taxshift dreigt met 230 miljoen euro te worden uitgehold

De verschillende fasen van de taxshift laten toe om de werkgeversbijdragen en dus de loonkost progressief te verlagen. Dat is een goede zaak. De bedragen van de loongrenzen voor de verschillende fasen van de versterking van de bijkomende korting voor de lage lonen, die vanaf 1 januari 2018 (fase 2) en 1 januari 2019 (fase 3) zullen gelden, werden vooraf vastgelegd in de regelgeving (in een KB dat reeds van 2016 dateert). Intussen blijkt dat die loongrenzen niet mee aangepast zijn aan de evolutie van de lonen over die periode (o.m. ten gevolge van twee indexeringen). Dat zou betekenen dat de taxshift met 230 miljoen wordt uitgehold, aldus VBO, UNIZO, UCM, Unisoc en Agrofront in een gezamenlijk persbericht.

Deze lage loongrenzen worden in principe geïndexeerd. De taxshift heeft dat principe bevestigd. Alleen is men uit het oog verloren om ook de voormelde nieuwe en reeds in 2016 vastgestelde grenzen vanaf 2018 (en 2019) op te trekken met de twee indexeringen die zich intussen hebben voorgedaan in de periode tussen het vastleggen van de grensbedragen in de reglementering (2016) en de inwerkingtreding en concrete toepassing ervan (2018 en 2019). Daarmee werd geen rekening gehouden.

Dat vormt een probleem: de lonen en loonkost zijn intussen immers wel gestegen onder impuls van deze indexeringen. De ondernemingen verwachten logischerwijs dat ook de vooropgestelde loongrenzen voor de kostenverlaging in dezelfde zin mee evolueren. Daar dit thans niet het geval is, zullen de werkgevers vanaf 2018 dan ook minder loonkostenverlaging genieten dan oorspronkelijk in de taxshift voorzien. De ondernemingen dreigen op die manier 230 miljoen euro aan lastenverlaging, mis te lopen.