Logistiek van lege ongereinigde vaten snakt naar vereenvoudiging

De afvoer en verwerking van lege, ongereinigde chemische verpakkingen is een complex gegeven. Bedrijven die dergelijke vaten en IBC’s correct en conform willen aanbieden voor transport en verwerking, moeten rekening houden met een aanzienlijk aantal regels die soms vaag en voor interpretatie vatbaar zijn. Er is dringend nood aan vereenvoudiging. Dat blijkt uit de resultaten van het project “Polluted Packaging Logistics”, dat VIL met dertien bedrijven heeft uitgewerkt.

De logistiek van verpakkingen die met chemicaliën vervuild zijn, blijkt voor veel bedrijven een tijdrovende en kostelijke bezigheid. Het gaat om een continue en voorspelbare stroom, maar met versnipperde volumes. Het transport van deze lege verpakking is relatief duur, omdat er in essentie lucht wordt vervoerd.

Voor de ontdoeners van de lege verpakkingen vormen deze vaten en IBC’s een vervelende reststroom die zo weinig mogelijk mag kosten. Tegelijkertijd moet er rekening gehouden worden met veel regels om deze vaten correct te transporteren naar de juiste bestemming voor reiniging of verwerking.

Het project toonde duidelijk aan dat de problematiek complex is, enerzijds door de vele verpakkingstypes, die afhankelijk van de verontreiniging wel of niet naar hergebruik of recyclage kunnen, maar vooral ook door de wettelijke vervoersaspecten zoals ADR-wetgeving, labeling, ladingzekering, afvalstatus of niet, …

Om ervoor te zorgen dat bedrijven door het bos de bomen zouden kunnen zien, heeft VIL een beslissingsboom opgesteld, die schematisch weergeeft wat er gedaan dient met welk soort lege verpakking.

In vergelijking met de grote bulkstromen waarmee de meeste chemiebedrijven te maken hebben, is deze stroom vrij beperkt. Het gaat om vrij lage volumes, met een sterke geografische versnippering. Het opzetten van een consolidatie-hub (bijvoorbeeld in de haven van Antwerpen), bleek hierdoor economisch niet haalbaar, al lijkt het op papier een goede oplossing. Ook een multimodale oplossing bleek niet interessant door de lage gewichtsdensiteit van de lege verpakkingen.

De producenten en leveranciers van verpakkingen kunnen de problemen mogelijk deels oplossen aan het begin van de keten. Bij het ontwerp van de verpakking moet reeds aandacht besteed worden aan de mogelijkheid tot hergebruik. Leveranciers dienen hun klanten beter te sensibiliseren over wat er met de vaten moet gebeuren na gebruik. Verpakkingen krijgen op dit moment vaak geen tweede leven meer, ook al is het technisch perfect mogelijk. Veel bedrijven staan echter niet open voor het gebruik van tweedehandsverpakkingen, uit vrees voor kwaliteits- of imagoproblemen.

Bij het aankopen van verpakkingen is nog te weinig aandacht voor de “whole spend” in de totale keten. De dure verwerking aan het einde van de rit kan het gevolg zijn van goedkoop inkopen. De koudwatervrees voor het gebruik van verpakkingen moet daarom dringend aangepakt worden. Hier kan ook de overheid een rol in spelen, door in overleg met de sector, na te denken over hoe het beter en efficënter kan, aldus VIL.

Dit project is geen eindpunt. De Joint Meeting RID/ADR/ADN (Genève) keurde onlangs unaniem het voorstel van FEAD (de Europese vereniging van nationale afvalfederaties) goed om een technische werkgroep op te starten voor de uitwerking van oplossingen met betrekking tot afvaltransport. De resultaten van dit VIL-projecten staan er op de agenda voor 2019.

Projectdeelnemers zijn 3M, Agfa Materials, BASF, BEBAT, Christeyns, Indaver, Janus Vaten, Renewi, Suez, Trafuco, TWZ Group, Vanheede Environmental Logistics en VLS Group Belgium.

Het project wordt gesteund door VLAIO, het Agentschap Innoveren en Ondernemen van de Vlaamse overheid.

Meer sectornieuws

Agenda