Overheidsopdrachten en -investeringen moeten meer naar Belgische bedrijven

België gunt een kwart van de overheidsopdrachten (24%) aan buitenlandse bedrijven, terwijl het Europese gemiddelde maar 4% draagt. Kijken we daarnaast verder naar de indirecte toewijzing dan vloeit zelfs 42% van de overheidsaankopen naar het buitenland, daar waar dit in landen als Nederland of Duitsland slechts 21% en 14% is. Overheidsopdrachten en -investeringen moeten, net als in het buitenland, deel zijn van een holistisch industrieel beleid, klinkt het unisono bij vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers.

Opvallend is dat de boodschap samen vertolkt wordt door Agoria, dat de technologiebedrijven vertegenwoordigt, en de verschillende vakbonden. Het gaat om drie christelijke vakbondscentrales (ACV-Puls, CNE-GNC en ACV-CSC Metea), drie socialistische vakbondscentrales (ABVV Metaal, Metallos MWB en BBTK-SETCa, ofwel de bond van bedienden, technici en kaderleden van het ABVV) en het liberale ACLVB.

De sociale partners van de technologiesector pleiten ervoor dat belangrijke inspanningen worden geleverd en dat het strategisch gebruik van overheidsopdrachten integraal deel uitmaakt van het industrieel en economisch beleid van ons land. Ze formuleren twintig voorstellen om strategisch gebruik te maken van overheidsopdrachten.

Zo vragen ze dat er voorafgaand aan een overheidsvergunning meer transparantie en een betere monitoring van overheidsopdrachten komt om zo de impact van het gevoerde beleid op de Belgische economie te kunnen meten. Tijdens een gunningsfase verwachten ze meer focus op de prijs/kwaliteitsverhouding van overheidsopdrachten, in plaats van enkel te kijken naar de prijs. Ook twee andere elementen verdienen meer aandacht: de vestigingsplaats van het bedrijf en de mate van (technologische) innovatie binnen de oplossing die het bedrijf aanbiedt.

Door overheidsopdrachten oordeelkundig op te splitsen in percelen die overeen stemmen met de reële capaciteiten van de ondernemingen van de sector, kan de deelname van KMO’s en start-ups worden bevorderd. Ook vragen de sociale partners meer Nederlands en Frans op werven, om zo de lokale werkgelegenheid te bevorderen. Door prijzen nauwgezet te controleren, kunnen inschrijvers die toegeven aan oneerlijke concurrentie meteen worden geweigerd. Tijdens de uitvoeringsfase vragen de partners controle op de naleving van de betaling van onderaannemers om oneerlijke concurrentie te bestrijden en de toegang van KMO’s tot overheidsopdrachten te verbeteren.

Overheidsopdrachten vertegenwoordigen circa 14% van het BBP van de EU, goed voor 2.000 miljard euro per jaar op het grondgebied van de Unie.