Belg gaat op 62 jaar met pensioen

In 2018 ging 0,62% van de werknemers met een contract van onbepaalde duur op de Belgische arbeidsmarkt met pensioen. 0,17% van die werknemers bereikte de wettelijke pensioenleeftijd, 0,02% ging met vervroegd pensioen en 0,05% van de werknemers ging met brugpensioen (SWT). Uit de cijfers van HR-dienstverlener Acerta blijkt dat we met z’n allen jaar na jaar langer actief zijn op de arbeidsmarkt. De gemiddelde reële pensioenleeftijd van werknemers in de private sector met een contract van onbepaalde duur bedraagt in België vandaag 62 jaar. Dat is een stijging met 2,5% sinds 2010.

De cijfers van HR-dienstverlener Acerta tonen duidelijk aan dat we langer werken. De gemiddelde reële pensioenleeftijd stijgt jaar na jaar. Wie met vervroegd pensioen ging, was in 2018 gemiddeld 61,5 jaar oud. 63,3 jaar was dan weer de gemiddelde leeftijd van wie met pensioen ging en wie vorig jaar onder het SWT viel, was gemiddeld 61 jaar.

In 2018 ging 0,05% van alle werknemers met brugpensioen. Dat is een daling met 64,6% tegenover 2010. Daarmee heeft SWT slechts een beperkte impact. Door de strengere voorwaarden krijgen steeds minder werknemers immers toegang tot het stelsel. Daarmee lijkt de discussie hierover, in het kader van de onderhandelingen over een interprofessioneel akkoord, eerder ideologisch te zijn.

Belangrijker is de discussie over werknemers die de arbeidsmarkt verlaten om medische redenen. De leeftijd waarop het contract van werknemers in de private sector een einde neemt wegens overmacht bedraagt in 2018 gemiddeld 44,6 jaar. Als deze werknemers niet meer ingezet kunnen worden in een andere job, betekent dit dat ze na amper een halve carrière al beroepsinactief worden. Fysieke en geestelijke gezondheid zijn belangrijk voor een gezonde arbeidsmarkt en bij uitbreiding voor een gezonde samenleving. Werk wendbaar maken, kan helpen om medische problemen te voorkomen en uitval te vermijden.

Sowieso neemt de werkgever steeds minder het initiatief om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. In minder dan 20% van de gevallen beslist de werkgever eenzijdig om over te gaan tot het stopzetten van het contract. In 38% van de gevallen is de beëindiging een beslissing van de werknemer. De “war for talent” speelt hierin zeker een rol. In jaren dat de economie minder goed floreert, klinkt de stem van de werkgever iets luider, maar ook dan is het vooral de werknemer die beslist de samenwerking te beëindigen. In 2018 werd 3,65% van de contracten van onbepaalde duur beëindigd. De meeste van deze werknemers verdwijnen niet van de arbeidsmarkt, maar zetten hun loopbaan bij een andere werkgever verder. Ofwel komt het vertrek op initiatief van de werkgever (0,59%), ofwel op initiatief van de werknemer (1,39%), ofwel van beiden (1,09%). Slechts 0,2% ging op pensioen.