Absenteïsme ligt dubbel zo hoog bij wie werkt omdat het moet

Wie werkt omdat hij het zelf wil, is minder ziek, loopt minder risico op burn-out, is minder snel van plan om van werkgever te veranderen en is bereid om vier jaar langer te werken dan wie werkt omdat het moet. Dat blijkt uit een nieuwe studie van Securex. Ook de leidinggevende speelt een sleutelrol in het verhogen van de “ik wil werken”-motivatie. Tot een vijfde van deze motivatie hangt af van diens rol.

Iemand die autonoom gemotiveerd is, werkt omdat hij het wil of omdat hij zijn werk zinvol vindt. Die autonome motivatie wordt verhoogd door het vervullen van drie universele basisbehoeften: zich autonoom voelen in de job, zich verbonden voelen met de collega’s op de werkplek en zich competent voelen in de job. Hoe hoger de autonome motivatie van een werknemer, hoe minder vaak hij afwezig is. Werknemers die enkel werken omdat het moet, zijn dubbel zo lang afwezig dan hun collega’s. Liefst 22% van wie enkel werkt omdat het moet, is minstens 21 dagen afwezig door ziekte of een privé-ongeval in vergelijking met 10% bij hun autonoom gemotiveerde collega’s.

Het verhogen van de autonome motivatie verlaagt dus aanzienlijk het risico op langdurige afwezigheden. Bovendien is ook hun herstelbehoefte lager: 40% tegenover 60%. Werknemers die werken omdat het moet, melden zich bovendien bijna dubbel zo vaak ziek zonder dat ze echt ziek zijn: 17% tegenover 10%. Slechts 7% van de autonoom gemotiveerden loopt risico op een burn-out. Bij werknemers die enkel werken omdat het moet, is dat bijna de helft (49%). Werknemers die werken omdat het moet, hebben eveneens meer last van spanningsklachten en stress.

Tot slot zijn medewerkers die werken omdat ze dat zelf willen, veel minder snel van plan om de organisatie te verlaten (8% tegenover 16%). Uit resultaten blijkt ook dat die werknemers bereid zijn gemiddeld vier jaar langer te werken (tot 60 jaar) dan wie werkt omdat het moet (tot 56 jaar).