Facturering in 2015

Overgangsregeling tot 1 juli

De definitieve regeling inzake (voorschot)facturen gaat pas in op 1 juli 2015. Hiermee komt de administratie nogmaals tegemoet aan de vraag vanuit de praktijk om de nodige tijd te krijgen om zich aan te passen. Tot 1 juli aanstaande blijven derhalve een aantal toleranties naast de definitieve regeling bestaan. De oude regels, de overgangsregels evenals de nieuwe regels blijven dus nog even naast elkaar bestaan. Een overzicht van deze regels lijkt ons zinvol voor de praktijk.

Tot eind 2012 waren de oude regels van kracht. Het opmaken en uitreiken van een factuur waren op dat moment een oorzaak van opeisbaarheid. In de oude regeling was de BTW opeisbaar en dus als verschuldigd op te nemen in de BTW-aangifte in de volgende vier gevallen:

  • bij de levering van een goed;
  • bij het voltooien (verrichten) van een dienst;
  • bij het uitreiken van een factuur;
  • bij het ontvangen van een betaling.

Een voorschotfactuur die werd uitgereikt maakte de BTW dus opeisbaar. Bijgevolg moest een voorschotfactuur opgenomen worden in de eerstvolgende BTW-aangifte, ongeacht of het voorschot reeds ontvangen was of niet. Ook bij de mede-contractant was de BTW op een inkomende voorschotfactuur onmiddellijk aftrekbaar in de eerstvolgende BTW-aangifte, ongeacht of het voorschot reeds betaald was of niet.

Wijziging op 1 januari 2013

Sinds 1 januari 2013 zijn het opmaken en uitreiken van een factuur geen subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid. Enkel de overige drie oorzaken van opeisbaarheid blijven vanaf deze datum bestaan, namelijk de levering van een goed, het verrichten van een dienst of de ontvangst van een betaling. Het feit of er al dan niet een factuur uitgereikt wordt, is sindsdien in principe niet meer van belang.

Een voorschotfactuur die werd uitgereikt maakt de BTW dus niet meer opeisbaar. Alleen het ontvangen van het voorschot in kwestie maakte de BTW nog opeisbaar (en diende in de BTW-aangifte opgenomen).

Ook bij de mede-contractant was de BTW op een inkomende voorschotfactuur niet meer onmiddellijk aftrekbaar in de eerstvolgende BTW-aangifte, maar alleen als het voorschot reeds betaald was.

Het directe gevolg is dat de BTW op een voorschotfactuur sindsdien in principe ook maar aftrekbaar is als het voorschot betaald werd.

Werken met betalingsverzoek

Het vermelden van BTW op een voorschotfactuur heeft als gevolg dat men deze ook verschuldigd is. Dat gaf een praktisch probleem. Een voorschotfactuur maakte de BTW op zich dan wel niet opeisbaar, maar tegelijk was er wel de regel die zegt dat wie de BTW op een factuur vermeldt, deze ook verplicht moet afdragen. Een voorschotfactuur met vermelding van BTW had als gevolg dat deze BTW opeisbaar werd.

Daarnaast werd deze BTW echter niet onmiddellijk aftrekbaar bij de mede-contractant. Vereist voor hem was m.a.w. nog altijd dat het voorschot betaald was.

Om de nieuwe regels correct toe te passen, diende men met een betalingsverzoek te werken. Aan de mede-contractant werd eerst een uitnodiging tot betaling gestuurd om het bedrag (inclusief BTW) te betalen. Op dit betalingsverzoek werd de BTW niet expliciet vermeld. Bij ontvangst van het voorschot maakte de leverancier of dienstverrichter dan de voorschotfactuur op. Dat had dus de opmaak van twee stukken als gevolg.

Overgangsregeling 2013

Deze overgangsregeling hield in dat men in 2013 mocht kiezen welke BTW-regels men wenste te volgen voor voorschotfacturen. Men mocht daarbij kiezen tussen de oude en de nieuwe regels. De oude regels waren die zoals die tot eind 2012 golden. De BTW op een voorschotfactuur was dus onmiddellijk opeisbaar en aftrekbaar. De nieuwe regels waren de regeling met het betalingsverzoek.

Overgangsregeling 2014

De keuze werd verlengd. De overgangsregeling van 2013 werd voor 2014 gewoon verlengd. Men bleef bijgevolg de keuze behouden tussen de oude en de nieuwe regels, zij het met een nieuwe tolerantie. De oude regels waren nog altijd deze die tot eind 2012 golden. De nieuwe regels omvatten in eerste instantie weer de techniek van het betalingsverzoek, indien gewenst. Bijkomend werd evenwel in de mogelijkheid voorzien om een gewone voorschotfactuur uit te reiken, maar dan met een extra vermelding om op die manier het probleem van het vermelden van de BTW te omzeilen.

De factuur diende dan volgende vermelding te bevatten: “Toepassing van de wettelijke regeling inzake opeisbaarheid. Recht op aftrek ontstaat na  de betaling van het voorschot”.

Definitieve regeling inzake voorschotfacturen in 2015

De voorschotfactuur wordt opgemaakt met BTW. Dat is het algemene principe waar de definitieve regeling inderdaad van uitgaat. Men mag een voorschotfactuur opmaken én de BTW daarop vermelden, zonder dat men achteraf verplicht wordt om een tweede document op te maken met daarop de datum van ontvangst van dat voorschot.

De zevendagenregel voegt een tolerantie in op dat algemene principe. De zevendagenregel houdt het volgende in:

  1. De opeisbaarheid van de BTW zoals o.m. de ontvangst van het voorschot volgt binnen de zeven dagen na het uitreiken van de voorschotfactuur.

≈ de voorschotfactuur is dan definitief. Men moet verder niets bijkomends doen.

  1. Volgt de opeisbaarheid pas na zeven dagen, dan moet men een vermoedelijke datum van opeisbaarheid vermelden, bijvoorbeeld de vervaldatum.

≈ Staat deze vermoedelijke datum op de voorschotfactuur, dan is deze definitief. Men hoeft verder niets bijkomends te doen, ook niet als achteraf blijkt dat die vermoedelijke datum niet correct is.

Als men dus altijd een vermoedelijke datum van opeisbaarheid vermeldt op de voorschotfactuur is het probleem opgelost voor de praktijk.

Uitstel van definitieve regeling tot 1 juli 2015

Aanvankelijk werd er gesteld dat deze definitieve regeling verplicht zou worden met ingang van 1 januari 2015. In laatste instantie werd er evenwel beslist om niet op te treden tegen al wie deze regeling nog niet toepast en dit tot 30 juni 2015. Gevolg is dus dat men tot 1 juli nog alle voorgaande regelingen mag toepassen, maar men mag ook al de definitieve regeling toepassen zoals die vanaf 1 juli 2015 wordt verplicht.

Concreet wil dit zeggen dat men tot 30 juni 2015 de keuze heeft tussen de volgende BTW-voorschotregelingen:

      1.  De regeling zoals die gold tot eind 2012: BTW direct opeisbaar en aftrekbaar.

      2.  Werken met een betalingsverzoek en vervolgens met een echte voorschotfactuur.

  1. Een voorschotfactuur met de extra vermelding zoals sinds begin 2014 toegestaan.
  2. De definitieve regeling met de vermoedelijke datum van opeisbaarheid zoals die vanaf 1 juli 2015 wordt verplicht.

(S.R.)

(Bovenstaande bijdrage kwam tot stand in samenwerking met FiscalNet).

Meer info: 0800/39.067.