“Doemdenken over maakindustrie in België is onterecht”

Inzetten op het behoud van de maakindustrie in België of op het terughalen van industriële jobs naar ons land is helemaal geen verloren strijd. Andere landen bewijzen dat het kan. Maar dan moet het huidig doemdenken plaats ruimen voor visie en ambitie en visie.

Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van Itinera Institute, liet tijdens de ‘Week van de Ingenieur’ van ingenieursvereniging ie-net zijn licht schijnen over de toekomst van de maakindustrie in België. Hij zette zich sterk af tegen het doembeeld van de onvermijdelijke verdwijning van industriële jobs in een economie als de onze.

Dat de economische groei over de voorbije decennia sterk is vertraagd en België in internationale rangschikkingen is weggezakt, valt niet te ontkennen, zei de econoom. Bovendien zijn in de verwerkende industrie processen aan de gang die maken dat de productiviteit veel sneller toenam dan in de dienstensector, maar de prijsontwikkeling een volledig omgekeerd beeld laat zien. Met Industrie 4.0 is intussen de volgende innovatiegolf aan het aanzwellen. Ook zij zal bijdragen tot de verdere transformatie van de economie.

Multiplicatoreffect

België zag in de voorbije dertig jaar het aandeel van de industrie in zijn bruto binnenlands product zwaar afkalven, van een klein kwart in 1995 tot een zesde in 2015. Maar bij dat soort vaststellingen dienen stevige kanttekeningen geplaatst, onderstreepte Ivan Van de Cloot.

“De industrie is in België nog steeds verantwoordelijk voor driekwart en meer van de export en voor de hoofdmoot van onderzoek en ontwikkeling. Onze kenniseconomie blijft zeer sterk gebonden aan die industrie. De productiviteitsgroei ligt er ook veel hoger dan in de rest van de economie.”

Van de Cloot benadrukte vooral dat de verbondenheid van dat “andere” economisch gebeuren met de industrie bijzonder sterk is. “De industrie blijft een hoog multiplicatoreffect hebben en het cijfer van 17% van het BBP geeft geen inzicht in het absolute belang van de industrie”.

Het is deels een semantisch debat, zei hij. “Er is veel outsourcing gebeurd, bijvoorbeeld op het stuk van IT, onderhoud, HR, opleiding, enz. Maar veel van wat buiten de industrie gebeurt en nu onder een andere noemer komt te staan, bestaat alleen omwille van de industrie. Dat is een fenomeen dat zich nog altijd sterk doorzet. In de voorbije tien jaar is in de Verenigde Staten 2,5% van de tewerkstelling in de industrie door outsourcing verplaatst naar andere sectoren. Je kan eigenlijk stellen dat in grote categorieën zoals vervoer, consulting, bewaking, enz. heel weinig private diensten volledig los staan van de industrie, ook al werken ze niet noodzakelijk uitsluitend voor dat soort klanten”.

SWOT

België kan voor industrie nog steeds bogen op een aantal stevige troeven: zijn geografische ligging en hooggeschoolde bevolking, zijn onderzoekslandschap en innovatiepotentieel, zijn sterke KMO’s en hoog productiviteitspeil, zijn havens en goed uitgebouwde infrastructuur (“maar daar zijn we zeker niet sterker aan het worden”).

Daar staan zwaktes tegenover zoals een te groot aandeel van intermediaire goederen, een terugvallende productiviteitsgroei, lonen die daar niet aan gekoppeld zijn, een weinig stimulerend wettelijk kader, stijgende congestiekosten en infrastructurele onzekerheid. “Krijgen we nog dingen gedaan in dit land”, vroeg de hoofdeconoom van Itinera zich af met een verwijzing naar het lang aanslepen van het Oosterweeldossier.

Opportuniteiten liggen te rapen in de hoogtechnologie, het aanboren van het innovatiepotentieel, het ontwikkelen van clusters, een betere afstemming van opleidingen op de noden van de bedrijven, een eenvoudigere financiering en een positiever ondernemersklimaat.

Maar wetgevende inefficiëntie, de gebrekkige financieringsmogelijkheden, het conflictmodel tussen werknemers en werkgevers, en een te grote focus op een “low-road strategy” die alleen op kostencompetitiviteit inzet, zijn struikelblokken die dan overwonnen moeten worden.

Ambitie

Samenleving en beleid onderschatten in welke mate industrie voor vele maatschappelijke problemen een deel van de oplossing zijn, onderstreepte Ivan Van de Cloot nog.

Het ontbreekt België aan een duidelijke ambitie die omgezet kan worden in een consistente, transparante en daadkrachtige lange termijnvisie om het aandeel van de industrie in het BBP opnieuw op te krikken naar een “gezonde” 20%“. Alle troeven zijn hiervoor aanwezig en andere landen zoals Duitsland en Nederland bewijzen dat het kan. Stop met het defaitisme. Een industrieel model is cruciaal, want een kenniseconomie zonder lokale productie is een illusie en een doodlopend spoor.